U bevindt zich hier: home » CVRM » Onderzoek

Onderzoek

Innovatief onderzoek

Bij Zorggroep Arnhem loopt momenteel een onderzoek genaamd: “Van spiegelbeeld naar patiënt in beeld”.
We onderzoeken een nieuwe methode om praktijken bij CVRM ketenzorg te ondersteunen in kwaliteitsverbetering, als aanvulling op de huidige benchmark. De nieuwe methode wordt momenteel getest bij 10 praktijken en er zijn 12 controlepraktijken. Wij verwachten u de eerste resultaten te kunnen geven eind 2014.  Om de resultaten niet te beïnvloeden, kunnen wij u pas in een later stadium berichten over de onderzoeksopzet. Hieronder volgt een uitleg waarom we naar een nieuwe methode hebben gekeken  (waarom de huidige benchmark ons inziens te kort schiet).

Bij de huidige benchmark worden onder meer verschillen in het behalen van streefwaarden van uitkomst-indicatoren vergeleken tussen praktijken. Bijvoorbeeld het percentage patiënten met een LDL< 2,5. Het probleem daarbij is dat deze percentages niet direct afhangen van de kwaliteit van de geleverde zorg.

Denk hierbij aan het volgende voorbeeld:
Bij dhr. Jansen wordt ketenzorg CVRM gestart omdat hij een zeer hoog risico op hart- en vaatziekten heeft. Hij komt op het spreekuur bij de POH. Hij heeft een systolische bloeddruk van 170 mmg Hg, een LDL van 3,4 en een BMI van 36. Dhr. Jansen geeft aan zijn gewicht met 5 kg te willen verminderen en meer te gaan bewegen. Hij wil eerst het effect van leefstijl afwachten, want hij slikt niet graag pillen. Op advies van de POH start hij wel alvast een cholesterolverlager want de streefwaarde van 2,5 zal niet worden behaald met dieet. Na 3 maanden is hij 2 kg afgevallen. Het gesprek gaat over mogelijkheden om het beweegpatroon op peil te houden nu de herfst begint met slechter weer en daardoor geen mogelijkheden meer om op de fiets naar het werk te gaan. Na een half jaar is meneer 4 kg afgevallen. De systole is nu 145 mm Hg. In gezamenlijk overleg besluiten POH en dhr Jansen om dit voorlopig te accepteren. Misschien valt hij nog wat verder af en dan zakt de bloeddruk daardoor wel naar het streefniveau. Echter na een jaar is meneer weer 1 kg aangekomen en de bloeddruk is weer 155mm Hg. Dhr had de teugels even laten vieren, maar nu gaat hij weer goed opletten wat hij eet. Nu zijn de uitkomstindicatoren bij deze meneer slechter terwijl er goede zorg werd geleverd.

De volgende zaken geven een vertekend beeld wanneer men alleen kijkt naar streefwaarden:
• Er zijn allerlei legitieme redenen waarom de streefwaarden bij sommige patiënten nooit behaald zullen worden. Bijvoorbeeld het niet verdragen van statines door de patiënt.
• De zorginspanning om de streefwaarde te halen is afhankelijk van hoe ver de patiënt van die streefwaarde af zat bij aanvang. Mede daardoor is het in een praktijk met veel patiënten uit een lage sociaal economische klasse moeilijker om patiënten in te stellen. Nog afgezien van taalbarrières en no-show percentages in deze praktijken.
• Overbehandeling van patiënten resulteert in goede scores bij uitkomstindicatoren. Wanneer een praktijk een groot aantal patiënten “over” behandelt in CVRM ketenzorg (patiënten die eigenlijk geen medicatie nodig hebben) geeft dit in de huidige benchmark het beeld alsof de geleverde zorg beter is.
•  Zelfmanagement van patiënten maakt dat het per patiënt kan verschillen hoe ver die wil gaan met het innemen van medicatie of het veranderen van leefstijl om de streefwaarde te behalen.
In het algemeen kan men stellen dat de meeste zorg uitgaat naar patiënten die hun streefwaarden niet halen.
Behalve dat uitkomstindicatoren geen goed meetinstrument zijn voor de kwaliteit van zorg, zijn ze ook niet erg bruikbaar om de kwaliteit te verbeteren. Een huisarts kan op basis van achterblijvende percentages zich voornemen er meer aandacht aan te besteden, maar hij kan er geen concrete wijzigingen mee doorvoeren. In de dagelijkse praktijk zijn er tal van zaken die aandacht behoeven. Goede voornemens zakken dan al snel naar de achtergrond.

Het onderzoek probeert met behulp van het KIS zicht te krijgen op legitieme redenen waarom van richtlijnen wordt afgeweken bij een individuele patiënt en die te verdisconteren. De percentages patiënten die niet optimaal worden behandeld kunnen teruggebracht worden tot werkelijke patiënten die mogelijk baat kunnen hebben bij meer of juist minder medicatie.
De feedback aan de huisartspraktijk komt op patiëntniveau. Dit is meer concreet en daardoor direct toepasbaar.
In de toekomst kan het mogelijk worden om de lijsten met patiënten waaraan iets te verbeteren valt in te zien in het KIS door de eigen huisarts. Een nieuwe NHG standaard kan op deze manier snel worden geïmplementeerd. In het KIS kunnen alle patiënten die het treft worden geselecteerd en de huisarts kan het lijstje afwerken. Maar zo ver zijn we nog niet: Deze functie wordt pas ontwikkeld als uit ons onderzoek blijkt dat het een effectieve vorm van feedback is.

Onderzoek